Komt een jongedame buiten bij de dokter

 

En wilt ze huilen.

Twintig jaar.
Twintig pillen.

Het is bijna grappig.

25 ben ik ondertussen, net aan mijn volwassen leven begonnen. Afgestudeerd. Alleen gaan wonen, gaan werken. Niet noodzakelijk in die volgorde.
Het doet er ook niet toe, want het lijkt nog steeds niet prioritair tegenover dat ene: genezen.
Vrij zijn.

Al een jaar houdt een dopingpil me op de been. En óf het werkt. Ik ben iemand anders geworden. Ik heb energie, ik ben bijna volledig pijnvrij en langdurige depressieve periodes zijn niet meer aan de orde. Maar ik moet ervan af. Het is een verslaving, dat goed voelen. Geen enkel antidepressivum, lief, sekspartijtje, winst, geslaagd examen, lach, compliment is vergelijkbaar. Ik wist een ding zeker: ik moet dit gevoel behouden en ik moet ervan af.

Toen ging ik weer naar een dokter, uiteraard.

PTSS. Vijf minuten duurde het deze keer. Moet ik dat dan weer geloven? Na de zoveelste? Na kwakzalvers? Na twee ziekenhuizen? Na psychologen? Osteopaten? Misschien niet.

Misschien wel.
Twintig pillen zei hij.
Zúchte hij. Alsof hij het nog nooit gezien had. Ik werd voor het eerst geloofd. Ik moest bijna huilen. Ik overdrijf niet. Het staat deze keer zwart op wit. En dat geloof ik nog steeds niet.

Na twintig jaar.

Advertenties