Herinneringen aan een slechte zomer

Het is zomer. Achteraan in de auto staar ik naar buiten. Van het weekendje Ardennen dat net achter de rug is, herinner ik me bijna niets. Ik krijg telefoon van een vriend. Geen gelukkig telefoontje. Hij is kwaad, terecht. Maar ik stort in. Compleet en overweldigend. Ik zeg dat ze auto moeten stoppen. Ik roep het. Nu. Ik moet nú naar buiten. We vinden de kant, ik gooi de deur open en loop naar buiten, de maïsvelden in. Daar klap ik in twee. Ik ben kapot. Mijn moeder rent achter me en ik kan niets uitbrengen. Tranen stromen uit mijn ogen, ademen gaat maar half. Het enige wat ik kan zeggen is dat ik mijn armen en benen niet meer voel. Paniek. Moeder omarmt me. Ik laat alles los. Het telefoontje was de druppel.

Dit overkwam me twee jaar geleden. Het was de eerste van een reeks vele paniekaanvallen. Het was ook het middelpunt van mijn depressie. Van een periode van 3-4 weken herinner ik me bitter weinig. Ik at niet en sliep niet, dat herinner ik me wel nog. Voor de rest staarde ik voor me uit en durfde ik niets doen uit schrik de controle te verliezen. Ik had mezelf niet in de hand. Dat was beangstigend, een zwarte mist die het overnam in mijn hoofd. Het voelde alsof mijn leven geleefd was. Het was eruit gezogen. Er was niets meer over van mezelf. Ik zwom jaren tegen een stroom. Ik bleef ploeteren, maar op een gegeven moment zink je.

Sinds mijn 16e bezoek ik regelmatig psychologen. Ik ben nu aan mijn vierde toe. Alles veranderde toen mijn vorige studies niet meer gingen. Mijn batterij was leeg, de laatste reserve energie was opgebrand. En het eerste wat samen met mij opgebrand was, waren de studies. Ik heb twee jaar rondgelopen met een gevoel dat in mijn hoofd ‘geen zin’ betekent. In alles wat ik deed miste ik gevoelens die wat teweeg zouden moeten brengen. Studies, vrienden en dagelijkse activiteiten gingen allemaal gepaard met een immense tegenzin. Niet alleen mentaal, ook fysiek ondervond ik tegenwind, maar dat is een ander verhaal.

Toen mijn derde psycholoog grip begon te hebben op wie ik was, ontdekte hij angsten. Zaken waarvan ik dacht dat ze doodnormaal waren, bleken geen onderdeel van mezelf te moeten zijn. Een ‘gegeneraliseerde angststoornis’ was het verdict. Zo veel angsten, dat ze zich op alle vlakken uitten. Ik moest naar de huisarts, want dit kon niet met een wekelijks gesprek opgelost worden volgens hem. Mijn huisarts stuurde me door naar een psychotherapeut. In medicatie had ik geen zin en mijn huisarts ook niet. Dat gebeurde in mei van het jaar van de bewuste zomer. Ik ging naar de psychotherapeut en voelde snel een klik. Na 6 jaar had ik eindelijk het gevoel een kenner voor me te hebben die me kon doorgronden. Nog eens drie maanden later had hij me gebroken. Alles kwam eruit, verleden, heden en toekomst waren een wirwar in mijn hoofd. Als boeken die uit een kast vielen en alles lag overhoop. Dat brak me. Ik heb me toen mee laten voeren door een stroom van ‘niets’. Mijn ‘geen zin’-periode werd een periode dat ik gewoon ademde. En soms had ik het zelfs met ademen lastig. Dan was het puur overleven.

Ik voelde het opkomen, een opwelling van zoveel emoties dat mijn adem stokte. Ik kan niet meer roepen. Ik ga naar mama. ‘Blijven ademen, Liesbet’. ‘Het.. gaat.. niet..’ Mijn hart bonst de muren van haar kamer eruit. Mijn longen nemen niet meer op dan een molecuul of twee. Ik kan alleen maar denken aan wat als mijn moeder hier nu niet was. Dan was ik waarschijnlijk gestopt met ademen.

Ik smeek niet snel, maar ik heb mijn huisarts toen gevraagd me iets te geven. Ik nam mijn moeder mee, om het niet langer uit te stellen. Om die woorden over mijn lippen te krijgen. Zo kon ik niet meer leven. Letterlijk: zonder die pillen las je dit niet.

Hoe moet je aan iemand uitleggen, dat wat je gezien hebt in je leven, niet bestemd was voor de ogen van een jonge vrolijke meid. Ik spreek over figuurlijke ogen, mentale ogen. Hoe maak je hen duidelijk dat je misschien niet gemaakt bent voor dit leven. En ik niet alleen. Ik hoor verhalen van vrienden en kennissen over inzinkingen. Overdosis pillen. High van de antidepressiva. Met een opname in de psychiatrische afdeling tot gevolg. Dat is een realiteit die mij ook had overkomen zonder de steun van ouders, vrienden en mijn huisarts.

Nadat ik, in mijn ogen, gefaald had op alle vlakken in mijn leven heb ik lang thuis gezeten. In totaal ongeveer een jaar. Geregeld vroegen mensen wat ik deed. Rusten. Rusten met mijn lichaam en met mijn hoofd. Maar hoe breng je dat aan? Dat je hoofd niet meer wilt? Dat was telkens de conclusie van alles, ik wou vooruit in het leven, maar ik werd altijd geblokkeerd door allerlei zaken. Ik weet nu waar het aan ontbrak in mijn leven. Begrip, uitsluitsel en rust. Rust in mijn hoofd, begrip van een ander als het niet gaat en uitsluitsel over wat te doen met mijn leven. Uiteindelijk is het nog zoveel meer dan dat, een ongeleid projectiel dat niet meer weet waar de rails liggen.

Ondertussen ben ik 23 jaar, twee jaar na mijn depressie en bijna 10 jaar na mijn eerste problemen. De beslommeringen die me 10 jaar in bedwang hielden, hebben hun plek gekregen. Als boeken in een open kast. Niet achter slot en grendel, want ze zijn een deel van mij. Die stukken vertellen mijn leven, maar in plaats van een grote warboel, heb ik de bladen nu platgestreken voor zover dat kan en alles opgeruimd. Het heeft me gemaakt tot wie ik ben. En laat mij dat maar eens roepen: ik ben trots op wie ik ben.

Het is een zwaar proces en het duurt lang, allicht nog mijn hele leven. Ik doe nu een richting met overtuigde zin. Mijn vriend staat me bij in alles en laat me niet zitten als ik weer maar eens in een hoek ineengedoken zit. Mijn familie en vrienden staan voor me klaar, en ik weet dat ik open moet zijn. De ‘geen zin’-gevoelens steken nog geregeld de kop op, het is een deel van mezelf geworden. Mijn downs nemen dan periodes van maanden aan, waarmee ik heb leren leven. Zonder de pillen gaat het niet en ik bezoek mijn psychotherapeut nog steeds tweemaandelijks, dat heb ik nodig.

Ik zie de depressie nu als een noodzakelijk kwaad. Ik heb mijn belangrijkste levenslessen uit die periode gehaald. 7 jaar werk ik al voor het gevoel dat ik momenteel heb; contentement. Met wat ik heb en heb meegemaakt. Met mezelf. De zon kan niet alle dagen schijnen. Zolang het niet meer zo zwart is als die zomer, ben ik content.

Advertenties

Elke dag een kater zonder de voordelen

Stop. Dat zei mijn lijf een tweetal jaar geleden. Gewoon ‘stop’. Studies liepen mis, mijn hoofd was kapot en mijn doel in dit leven was zoek. Na twee jaar zoeken en onderzoeken staan we hier: nergens.

Ondertussen passeerden al verschillende ziektes de revue. Het begon met fibromyalgie, nu CVS en binnenkort misschien chronische Lyme. Ik word daar echt ontzettend moe van. Van geen uitsluitsel, geen blijf met mezelf. Ik had mij er relatief goed bij neergelegd dat mijn situatie is zoals ze was. Veel rust, focus op positieve dingen en kijken naar de toekomst. Maar dan zweeft een nieuwe theorie voorbij en besef je dat je niet mag opgeven.

En daar heb ik het nu zo verdomd moeilijk mee. Waarom vechten voor iets waarvan ik niet weet of het wel uithaalt? Anderzijds is wat ik nu heb op lange termijn misschien schadelijk voor mijn lichaam en hoe langer het duurt, hoe minder kans ik heb op volledige genezing. Wie weet hoe lang loop ik hier al mee? Het enige wat ze uit een hele resem onderzoeken hebben gehaald is dat ik ooit klierkoorts had. Een héle resem. Onderzoeken. Terwijl ik mij dagelijks voel alsof ik een kater heb, verstopt alles wat ik heb zich als ze onderzoeken wat ik nu precies heb. En dan denk je maar aan één piste meer; het is iets heel kleins dat zich verstopt in je lichaam. Dat heet dan onder de populaire diagnose: Lyme. Chronisch. Bacteriën die zich verstoppen en je niet zomaar kan terugvinden. Of dat kan? Ik ben geen dokter, maar ik studeer Chemie en zie redelijk wat over bacteriën. Dus ja, ergens geloof ik er wel in.

Het moet gewoon anders. De klassieke geneeskunde is voorbijgestreefd. Al die mensen met diagnoses die op niets slaan (letterlijk, want je kan het niet zien) en toch kijken ze niet verder dan hun neus lang is. Ik word daar zó verdomme kwaad van. Ik stormde laatst nog heel kwaad buiten uit het UZ, gewoon omdat ze precies niets willen vinden. Klierkoorts die ik jaren geleden had kunnen ze vinden, maar zoeken op verdere bacteriële infecties? Nee hoor. Ga maar naar het buitenland en betaal met je eigen centen. Wij laten je gewoon creperen. Hoe je daar als arts achter kan staan, dat begrijp ik niet. (Later had ik enorm veel spijt van mijn kwade optreden, want ik was de rest van de dag futloos door de ‘inspanning’)

Ik wil dus zelf verder zoeken, alvorens mij met nog een ziekte op te laten stapelen die ik misschien niet heb. Volgend jaar kies ik voor de afstudeerrichting biochemie, zodat ik nog meer kan bezig zijn met wat ik nu heb. Het lijkt hypochondrische toestanden aan te nemen, maar hoe zou je zelf zijn? Voorlopig doe ik verder met mijn lijf.

In case you’re wondering, hoe het met me gaat? Zoals altijd.. Moeheid, een tegenwerkend lijf en pijnlijke delen in mijn lichaam zijn de wekelijkse tot dagelijkse kost. Elke dag een kater, without the benefits.