Mijn niet-drang naar reizen

Persoon X is ingecheckt in Londen. Persoon Y staat op Times Square in New York. ‘Joehoe, weer drie dagen Rome geboekt’. Een maand door Thailand reizen. Zonnen op de Caraïben.

Surfen kan je ook thuis. Door sociale media hebben we, inclusief mezelf, een excessieve drang om te delen dat we weg zijn. We willen weg van dit alles en dan behouden we toch nog onze band met thuis. Ik ga cru zijn: ik snap dat niet. Die oeverloze drang weg te willen van alles.

Een jaar geleden stond ik op het punt de reis van mijn leven te maken. Ik ging voor zes maanden op Erasmus naar Estland, het hoge Noorden en bijna Scandinavië. Ik wou er de wereld ontdekken en proeven en ging (zogezegd) studeren. Ik laste alles een maand voor de reis af. Terwijl iedereen me verzekerde dat het de reis van mijn leven werd, heb ik gezegd ‘neen, ik wil niet’. Ik merkte dat ik bij iedereen te luister ging waarom ik dat moest doen. Niet waarom ik het zélf wou doen. Ik dacht na en kwam op dit neer: Ik zou er nieuwe mensen leren kennen, studeren, reizen naar dichtbijzijnde plaatsen en zelfstandiger leren zijn. Ik realiseerde me dat ik dat hier ook gewoon deed/kon doen.

Ik reis op mezelf. Door naar mijn vrienden in andere steden te gaan, optredens te bezoeken, boeken te lezen, mensen te leren kennen, films te kijken, sociale media, internet, de actua te volgen… Uiteraard is het anders dan wat je ziet in het echt. Uiteraard is de beleving van een ander kaliber. Maar moet dat altijd, wég zijn van alles, weg zijn van jezelf? Nee. Ik ga graag weg, maar kom even graag weer thuis. Ik hou wel van reizen, maar na twee weken wil ik terug naar mijn plekje. Ik hoef niet alles in deze wereld te zien. Het lijkt een plaag te zijn vandaag, die Wanderlust. ‘De lust om de wereld te ontdekken.’ Tegelijkertijd eigenlijk niet weten waar je heen wilt, en dan maar gewoon de grenzen over te steken in de hoop jezelf en de zin van het leven te vinden. Ik begrijp dat dat voor sommigen werkt, maar voor mij hoeft dat niet. Het gras is heus niet groener aan de andere kant van de grens. Het is misschien wel donkerder of net lichter. Het smaakt misschien lekker of is net giftig. Ik strooi in mijn eigen grasperkje de bloembollen en laat ze daar rustig ontspruiten. Mijn gras droogt af en toe op en ziet er vreselijk lelijk uit, maar ik loop er niet van weg. Dus nee, die verheerlijking van reizen is niets voor mij. Geef mij koffie, een boek en een stoel en ik waan me al in een ander universum. Veel goedkoper en veiliger. Misschien niet avontuurlijker, maar blauwe plekken krijg je overal. Daarbij komt nog eens dat ik de mensen die ik graag zie (mijn vrienden en familie) graag dicht bij me heb. Zij zijn mijn leven, en dan heb ik geen nood om mijn leven te ontlopen. Of dat nu goed of slecht gaat.

Noem mij een saaie huismus, een merel die haar nest niet wil verlaten, maar ik zit hier goed. En je moet niet alles gezien hebben om iets te weten van het leven of jezelf. Om af te sluiten met een positieve nooit, dit wil ik wél nog gezien hebben in mijn leven:

Bali
Rome
De Oost- of West-kust van Amerika
Scandinavië

Maar dat hoeft niet, dat mag. Reizen is geen basisbehoefte.

Advertenties

Voorzichtig

Voorzichtig, schuifelend over het zachte parket nam ze het glas wijn. Ze zwierde er mee zodat ieder vlokje opgeloste gist zich vermengde met zuurstof en zich een baan in het glas vrijwaarde. Wijn had ze het liefst. Donker, krachtig en een feest op je tong. Meer had ze niet nodig. Maar die avond had meer in zijn macht. Bij haar eerste slok keek hij stilzwijgend toe. Goedkeurend. Alsof de wijn haar bepaalde. Zacht, maar krachtig. Niet evident, maar zoals elk kunstwerk moest je toekijken, gewoon aanvaarden en jezelf toelaten het te begrijpen. Hij begreep haar niet, maar vond haar wel interessant. Het glas werd met een kleine klik op tafel gezet. Haar handen werden zenuwachtig en klam. Haar vingers hadden weinig om het lijf, maar waren zo ontzettend klein dat ze je kan een oogwenk niet meer kon zien. Ze friemelde wat. Ook dat zag hij. Hij lachte. In zijn hoofd. Hij begreep nog steeds niet wat hij zag maar wist hij daar moest zijn. Dat de dag maar een kleinigheid was tegenover dit mysterie van de nacht. Terwijl de seconden minuten leken in de stilte, zette hij muziek op. Een melodische jazz, inclusief saxofoon en piano, weergalmde in het appartement. Jazz, dacht ze, dat hoef je mij ook geen twee keer te zeggen. Zachtjes wiegde en tikte ze mee. Ze nam haar glas voor een tweede keer. Haar karmijnrode lippen plaatsten zich een voor een om het op kamertemperatuur goedje naar binnen te laten glijden. Hij zag het. Alweer maakte zijn hersenen duizenden kronkels en voelde hij zich verward.