Komt een jongedame buiten bij de dokter

 

En wilt ze huilen.

Twintig jaar.
Twintig pillen.

Het is bijna grappig.

25 ben ik ondertussen, net aan mijn volwassen leven begonnen. Afgestudeerd. Alleen gaan wonen, gaan werken. Niet noodzakelijk in die volgorde.
Het doet er ook niet toe, want het lijkt nog steeds niet prioritair tegenover dat ene: genezen.
Vrij zijn.

Al een jaar houdt een dopingpil me op de been. En óf het werkt. Ik ben iemand anders geworden. Ik heb energie, ik ben bijna volledig pijnvrij en langdurige depressieve periodes zijn niet meer aan de orde. Maar ik moet ervan af. Het is een verslaving, dat goed voelen. Geen enkel antidepressivum, lief, sekspartijtje, winst, geslaagd examen, lach, compliment is vergelijkbaar. Ik wist een ding zeker: ik moet dit gevoel behouden en ik moet ervan af.

Toen ging ik weer naar een dokter, uiteraard.

PTSS. Vijf minuten duurde het deze keer. Moet ik dat dan weer geloven? Na de zoveelste? Na kwakzalvers? Na twee ziekenhuizen? Na psychologen? Osteopaten? Misschien niet.

Misschien wel.
Twintig pillen zei hij.
Zúchte hij. Alsof hij het nog nooit gezien had. Ik werd voor het eerst geloofd. Ik moest bijna huilen. Ik overdrijf niet. Het staat deze keer zwart op wit. En dat geloof ik nog steeds niet.

Na twintig jaar.

Advertenties

Zou het dan toch…?

Al jaren ben ik op zoek naar een oplossing voor mijn aandoening. In academische termen fibromyalgie, in volkstermen chronische vermoeidheid, spierpijn, depressie,…

In universitaire middens weten ze geen weg met mensen zoals ik. Op het eerste zicht lijkt alles oké. Ik doe nog relatief veel, ik kom goed voor de dag en ben niet ‘ernstig’ ziek. Mensen die mij kennen weten dat dat schommelt. Mensen die naast mij leven weten dat ik nooit echt oké ben. Dat er altijd wel ‘iets’ is. Ik kan weer een hele waslijst symptomen opnoemen, maar tegenwoordig gebruik ik gewoon vaak ‘wat heb ik eigenlijk niet?’. Ik zwijg dan ook, geen zin meer om weeral te vertellen wat die dag schort aan me. Beu om het te vertellen, beu om het beu te zijn.

Hoop en teleurstelling gaan hand in hand met zo’n ziekte. Emoties slingeren àlle kanten op. Ik kan mijn dagen tegenwoordig enkel bestempelen als ‘die heb ik ook weer relatief goed overleefd’. Geen bijster positieve gedachte. Leven doe je niet meer, alles is wikken en wegen en inplannen en beredeneren. Als ik nù koffie drink, slaap ik deze nacht niet en ik heb mijn slaap nodig. Als ik nu geen koffie drink ben ik de rest van de dag een wrak. Als ik nù twee uur iets leuks doe, kan ik vanavond niet iets gaan drinken met vrienden want dan ben ik doodop. Als ik nù een pint drink, heb ik straks last van mijn maag. Als ik nù die pijnstillers niet neem, slaap ik niet. Als ik niet slaap, ben ik morgen weer moe en is de pijn erger. Als ik nù die pijnstiller neem, neem ik weer een hoge dosis, hoge dosissen zijn niet goed, want er is gewenning en ze zijn slecht voor je lichaam.

Het hoofd wikt en het lijf weegt. Stilzitten is niets voor mij. Als ik stilzit, begin ik te denken, denken is niet goed. Denken zorgt voor depressieve gevoelens. Als ik dingen doe, word ik moe, moe zijn is niet goed. Moe zijn zorgt voor stilzitten. Eeuwige strijd tussen lijf en hoofd, zo vergaat het me elke dag.

En toen kwam ons ma.. binnengerend. ‘We moeten naar die dokter Liesbet, ik ken iemand die iemand kent die veel beter is.’ We kennen allemaal iemand die iemand kent. Zo ken ik al duizend dokters en specialisten die mensen kennen die iemand hebben geholpen. Je schrikt er niet meer van op, er zijn zoveel oplossingen voor je neus. Kies er maar eentje, lijkt het bijna. Chronische lyme? Lekkende darm? Gewoon heel zwaar depressief? Iets genetisch? Gewoon extreem gezond eten? … AGS?

Die laatste dokter claimt het gevonden te hebben. Al bijna op het zicht wist hij het. ‘Jullie hebben AGS.’ (Ons ma was ook mee). Oink, zat ik daar. Oink, deed mijn hoofd. Al die onderzoeken en dokters en NIEMAND zag iets, en deze ziet iets bijna op het zicht? Hoogst opmerkelijk vond ik het. Thuisgekomen ben ik beginnen opzoeken, iedereen weet dat specialisten zich niet bezighouden met het uitleggen van een vanzelfsprekende ziekte. AGS is de afkorting van het andrenogenitaal syndroom. Ik kan heel technisch worden, maar laten we het erop houden dat mijn bijnieren niet genoeg cortisol zouden aanmaken waardoor ik meer mannelijke hormonen aanmaak (androgenen) en dus bepaalde symptomen heb die in die richting wijzen. Het blijft vreemd aanvoelen, zoiets simpel en toch ziet niemand het. Want er zijn uiterlijke symptomen, maar die heb ik amper. Acné, ja, in mijn puberteit. Klein, ja, zoals de rest van mijn familie. Overmatige beharing, hmm, niet echt. Op alle inwendige symptomen is het dubbel en dik gewoon ‘ja’.

Anderzijds ging ik nooit naar een endocrinoloog, een hormoonspecialist. Is de aangegeven ziekte in de academische wereld ook geen grote bekende en gaan ziekenhuizen er ook niet naar op zoek. Er wordt heel veel op evidence based gespeeld en niet genoeg gezocht naar de complexiteit van klachten. Er is ook gewoon geen tijd en geld voor onderzoek. Als het maar opbrengt (pijnstillers en antidepressiva brengen meer op dan grootschalige onderzoeken naar chronische vermoeidheid, fibromyalgie ed). Dokters die anders durven denken en andere behandelingen dan bv. gedragstherapie opleggen worden verketterd (zo werd een dokter die mijn mama indertijd enorm geholpen heeft naar het buitenland gejaagd, waardoor weer een hele hoop mensen in de kou stonden).

Waarom sturen ziekenhuizen je dan niet naar specialisten? Die befaamde ziekenhuizen beweerden enkel klierkoorts te hebben gevonden (in het eerste ziekenhuis vonden ze zelfs dat niet) en aan mijn hersenen te kunnen zien dat ik een depressie heb (gehad). Je wordt als patiënt getoetst aan oude criteria, aan onderzoeken die miljoenen hebben gekost en bewezen zijn. Met niks als bewijs sta je nergens. Met niet weten wat het is, zoek je naar oplossingen die er niet zijn. Is hormonen nemen de oplossing? Ik betwijfel het ten zeerste. Gaat het helpen? Misschien wel. Tijdelijk althans. Dus nee, ik sta er niet 100% achter, maar wat moet ik doen? Mijn zetel vormt letterlijk een plek waar ik altijd zit. Mijn hoofd is een mist en onthoudt niks en alles als chaotisch en beangstigend tegemoet gaat. Mijn lichaam kraakt en doet niet wat het moet. Dit is gewoon geen leven. Over-leven, en een klein beetje hoop. Hoop op hormonen.

Streepje

Lieve meid,

Lieve lieve kleine meid.

Je hoeft geen rokje aan om uit te gaan

Je hoeft geen streepje om een ingreepje

Ben wie je bent

Alsjeblieft

Ik smeek je

Toon wat je bent

Want mannen zijn genadeloos

Het blote been betekent geen ‘ik wil nu je peen’

De hangende tiet zegt u niet: ‘ik wil je piet’

U mag gaan meneer

U heeft hier niets te zoeken

Mijn streepje

Tot de tweede (knipoog)

Herinneringen aan een slechte zomer

Het is zomer. Achteraan in de auto staar ik naar buiten. Van het weekendje Ardennen dat net achter de rug is, herinner ik me bijna niets. Ik krijg telefoon van een vriend. Geen gelukkig telefoontje. Hij is kwaad, terecht. Maar ik stort in. Compleet en overweldigend. Ik zeg dat ze auto moeten stoppen. Ik roep het. Nu. Ik moet nú naar buiten. We vinden de kant, ik gooi de deur open en loop naar buiten, de maïsvelden in. Daar klap ik in twee. Ik ben kapot. Mijn moeder rent achter me en ik kan niets uitbrengen. Tranen stromen uit mijn ogen, ademen gaat maar half. Het enige wat ik kan zeggen is dat ik mijn armen en benen niet meer voel. Paniek. Moeder omarmt me. Ik laat alles los. Het telefoontje was de druppel.

Dit overkwam me twee jaar geleden. Het was de eerste van een reeks vele paniekaanvallen. Het was ook het middelpunt van mijn depressie. Van een periode van 3-4 weken herinner ik me bitter weinig. Ik at niet en sliep niet, dat herinner ik me wel nog. Voor de rest staarde ik voor me uit en durfde ik niets doen uit schrik de controle te verliezen. Ik had mezelf niet in de hand. Dat was beangstigend, een zwarte mist die het overnam in mijn hoofd. Het voelde alsof mijn leven geleefd was. Het was eruit gezogen. Er was niets meer over van mezelf. Ik zwom jaren tegen een stroom. Ik bleef ploeteren, maar op een gegeven moment zink je.

Sinds mijn 16e bezoek ik regelmatig psychologen. Ik ben nu aan mijn vierde toe. Alles veranderde toen mijn vorige studies niet meer gingen. Mijn batterij was leeg, de laatste reserve energie was opgebrand. En het eerste wat samen met mij opgebrand was, waren de studies. Ik heb twee jaar rondgelopen met een gevoel dat in mijn hoofd ‘geen zin’ betekent. In alles wat ik deed miste ik gevoelens die wat teweeg zouden moeten brengen. Studies, vrienden en dagelijkse activiteiten gingen allemaal gepaard met een immense tegenzin. Niet alleen mentaal, ook fysiek ondervond ik tegenwind, maar dat is een ander verhaal.

Toen mijn derde psycholoog grip begon te hebben op wie ik was, ontdekte hij angsten. Zaken waarvan ik dacht dat ze doodnormaal waren, bleken geen onderdeel van mezelf te moeten zijn. Een ‘gegeneraliseerde angststoornis’ was het verdict. Zo veel angsten, dat ze zich op alle vlakken uitten. Ik moest naar de huisarts, want dit kon niet met een wekelijks gesprek opgelost worden volgens hem. Mijn huisarts stuurde me door naar een psychotherapeut. In medicatie had ik geen zin en mijn huisarts ook niet. Dat gebeurde in mei van het jaar van de bewuste zomer. Ik ging naar de psychotherapeut en voelde snel een klik. Na 6 jaar had ik eindelijk het gevoel een kenner voor me te hebben die me kon doorgronden. Nog eens drie maanden later had hij me gebroken. Alles kwam eruit, verleden, heden en toekomst waren een wirwar in mijn hoofd. Als boeken die uit een kast vielen en alles lag overhoop. Dat brak me. Ik heb me toen mee laten voeren door een stroom van ‘niets’. Mijn ‘geen zin’-periode werd een periode dat ik gewoon ademde. En soms had ik het zelfs met ademen lastig. Dan was het puur overleven.

Ik voelde het opkomen, een opwelling van zoveel emoties dat mijn adem stokte. Ik kan niet meer roepen. Ik ga naar mama. ‘Blijven ademen, Liesbet’. ‘Het.. gaat.. niet..’ Mijn hart bonst de muren van haar kamer eruit. Mijn longen nemen niet meer op dan een molecuul of twee. Ik kan alleen maar denken aan wat als mijn moeder hier nu niet was. Dan was ik waarschijnlijk gestopt met ademen.

Ik smeek niet snel, maar ik heb mijn huisarts toen gevraagd me iets te geven. Ik nam mijn moeder mee, om het niet langer uit te stellen. Om die woorden over mijn lippen te krijgen. Zo kon ik niet meer leven. Letterlijk: zonder die pillen las je dit niet.

Hoe moet je aan iemand uitleggen, dat wat je gezien hebt in je leven, niet bestemd was voor de ogen van een jonge vrolijke meid. Ik spreek over figuurlijke ogen, mentale ogen. Hoe maak je hen duidelijk dat je misschien niet gemaakt bent voor dit leven. En ik niet alleen. Ik hoor verhalen van vrienden en kennissen over inzinkingen. Overdosis pillen. High van de antidepressiva. Met een opname in de psychiatrische afdeling tot gevolg. Dat is een realiteit die mij ook had overkomen zonder de steun van ouders, vrienden en mijn huisarts.

Nadat ik, in mijn ogen, gefaald had op alle vlakken in mijn leven heb ik lang thuis gezeten. In totaal ongeveer een jaar. Geregeld vroegen mensen wat ik deed. Rusten. Rusten met mijn lichaam en met mijn hoofd. Maar hoe breng je dat aan? Dat je hoofd niet meer wilt? Dat was telkens de conclusie van alles, ik wou vooruit in het leven, maar ik werd altijd geblokkeerd door allerlei zaken. Ik weet nu waar het aan ontbrak in mijn leven. Begrip, uitsluitsel en rust. Rust in mijn hoofd, begrip van een ander als het niet gaat en uitsluitsel over wat te doen met mijn leven. Uiteindelijk is het nog zoveel meer dan dat, een ongeleid projectiel dat niet meer weet waar de rails liggen.

Ondertussen ben ik 23 jaar, twee jaar na mijn depressie en bijna 10 jaar na mijn eerste problemen. De beslommeringen die me 10 jaar in bedwang hielden, hebben hun plek gekregen. Als boeken in een open kast. Niet achter slot en grendel, want ze zijn een deel van mij. Die stukken vertellen mijn leven, maar in plaats van een grote warboel, heb ik de bladen nu platgestreken voor zover dat kan en alles opgeruimd. Het heeft me gemaakt tot wie ik ben. En laat mij dat maar eens roepen: ik ben trots op wie ik ben.

Het is een zwaar proces en het duurt lang, allicht nog mijn hele leven. Ik doe nu een richting met overtuigde zin. Mijn vriend staat me bij in alles en laat me niet zitten als ik weer maar eens in een hoek ineengedoken zit. Mijn familie en vrienden staan voor me klaar, en ik weet dat ik open moet zijn. De ‘geen zin’-gevoelens steken nog geregeld de kop op, het is een deel van mezelf geworden. Mijn downs nemen dan periodes van maanden aan, waarmee ik heb leren leven. Zonder de pillen gaat het niet en ik bezoek mijn psychotherapeut nog steeds tweemaandelijks, dat heb ik nodig.

Ik zie de depressie nu als een noodzakelijk kwaad. Ik heb mijn belangrijkste levenslessen uit die periode gehaald. 7 jaar werk ik al voor het gevoel dat ik momenteel heb; contentement. Met wat ik heb en heb meegemaakt. Met mezelf. De zon kan niet alle dagen schijnen. Zolang het niet meer zo zwart is als die zomer, ben ik content.

Elke dag een kater zonder de voordelen

Stop. Dat zei mijn lijf een tweetal jaar geleden. Gewoon ‘stop’. Studies liepen mis, mijn hoofd was kapot en mijn doel in dit leven was zoek. Na twee jaar zoeken en onderzoeken staan we hier: nergens.

Ondertussen passeerden al verschillende ziektes de revue. Het begon met fibromyalgie, nu CVS en binnenkort misschien chronische Lyme. Ik word daar echt ontzettend moe van. Van geen uitsluitsel, geen blijf met mezelf. Ik had mij er relatief goed bij neergelegd dat mijn situatie is zoals ze was. Veel rust, focus op positieve dingen en kijken naar de toekomst. Maar dan zweeft een nieuwe theorie voorbij en besef je dat je niet mag opgeven.

En daar heb ik het nu zo verdomd moeilijk mee. Waarom vechten voor iets waarvan ik niet weet of het wel uithaalt? Anderzijds is wat ik nu heb op lange termijn misschien schadelijk voor mijn lichaam en hoe langer het duurt, hoe minder kans ik heb op volledige genezing. Wie weet hoe lang loop ik hier al mee? Het enige wat ze uit een hele resem onderzoeken hebben gehaald is dat ik ooit klierkoorts had. Een héle resem. Onderzoeken. Terwijl ik mij dagelijks voel alsof ik een kater heb, verstopt alles wat ik heb zich als ze onderzoeken wat ik nu precies heb. En dan denk je maar aan één piste meer; het is iets heel kleins dat zich verstopt in je lichaam. Dat heet dan onder de populaire diagnose: Lyme. Chronisch. Bacteriën die zich verstoppen en je niet zomaar kan terugvinden. Of dat kan? Ik ben geen dokter, maar ik studeer Chemie en zie redelijk wat over bacteriën. Dus ja, ergens geloof ik er wel in.

Het moet gewoon anders. De klassieke geneeskunde is voorbijgestreefd. Al die mensen met diagnoses die op niets slaan (letterlijk, want je kan het niet zien) en toch kijken ze niet verder dan hun neus lang is. Ik word daar zó verdomme kwaad van. Ik stormde laatst nog heel kwaad buiten uit het UZ, gewoon omdat ze precies niets willen vinden. Klierkoorts die ik jaren geleden had kunnen ze vinden, maar zoeken op verdere bacteriële infecties? Nee hoor. Ga maar naar het buitenland en betaal met je eigen centen. Wij laten je gewoon creperen. Hoe je daar als arts achter kan staan, dat begrijp ik niet. (Later had ik enorm veel spijt van mijn kwade optreden, want ik was de rest van de dag futloos door de ‘inspanning’)

Ik wil dus zelf verder zoeken, alvorens mij met nog een ziekte op te laten stapelen die ik misschien niet heb. Volgend jaar kies ik voor de afstudeerrichting biochemie, zodat ik nog meer kan bezig zijn met wat ik nu heb. Het lijkt hypochondrische toestanden aan te nemen, maar hoe zou je zelf zijn? Voorlopig doe ik verder met mijn lijf.

In case you’re wondering, hoe het met me gaat? Zoals altijd.. Moeheid, een tegenwerkend lijf en pijnlijke delen in mijn lichaam zijn de wekelijkse tot dagelijkse kost. Elke dag een kater, without the benefits.

Ongewilde aandacht

De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat dit blogbericht eigenlijk al lang klaarstaat in verschillende formaten. Ik had gewoon nooit een aanleiding of drang om het te posten. Er wordt al zo vaak gepost over dit soort onderwerpen en ik kom zelden tot een consensus. Tot ik vandaag besefte dat mijn ervaringen niet minder zijn, maar een bijdrage kunnen leveren. De hashtag #wijoverdrijvenniet biedt een bloemlezing aan vrouwen die aanranding, intimidatie en dergelijke willen aanklagen.

Eerst en vooral: ik veralgemeen niet. Mannen zijn geen onmensen. Niet alle mannen hebben dit soort gedrag, maar een kleine minderheid. Helaas is het die minderheid die de toon zet voor vele vrouwen onder ons.

Mijn eerste ervaring met zulke voorvallen begon vrij jong. We gingen met een groepje naar Walibi, waar het waterpark Aqualibi ons al snel aanzette om te gaan zwemmen. We toverden onszelf om tot jonge meisjes in bikini. De glijbaan was een wilde attractie en besloten er dan ook meteen op te gaan. Plots kwamen daar enkele jongens onze rust verstoren, ze pakten ons langs alle kanten vast en slaagden er zelfs in tussen mijn benen (ter hoogte van mijn venusheuvel) mijn broekje vast te pakken en eraan te trekken. Ik was ocharme 14 jaar en wist niet hoe te reageren. Al snel komt de schaamte en zwijg je maar.

De schaamte duurde lang. Veel te lang. Tot ik een grote mond kreeg, en begon te beseffen hoe vaak me dit eigenlijk overkwam. Het zijn geen complimenten mannen, integendeel, je kruipt er van in elkaar. Toen ik twee jaar terug naar de Gentse Feesten wou op een zonnige dag, zwierde ik een dieprode kleur op mijn lippen. Ik werd in één straat vijf keer nageroepen terwijl iedereen keek en niemand iets deed. Het is die ongewilde aandacht die ik niet moet hebben. Ik vraag niet om nageroepen te worden, ik wil mijzelf gewoon goed voelen. Waar in het begin van de straat mijn zelfvertrouwen nog goed zat, was dat aan het einde van de straat helemaal gekelderd en liep ik ineengebogen verder. Ik kies niet om in de spotlights te staan.

Het meest vreemde dat me overkwam was allicht op een steenweg in Gent. Ik fietse naar huis van de les en hoorde plots in de verte gefluit. Ik ben slechthorend dus ik dacht dat het niet naar mij was. Mis poes, plots werd het geluid luider, maar ik kon het nog steeds niet thuisbrengen. Aan het rode licht zag ik de oorzaak van het geluid: een witte camionette met enkele mannen in, inclusief luidspreker on top die fluit- en kermisgeluiden afspeelde. Say what? Ik was plots het middelpunt van een attractie, en de hele druk straat stond stil aan het licht. Ik lachte flauwtjes omdat ik niet wist wat te doen. De mannen in de wagen lachten en maakten plezier. Ik wou in een put zakken, ik wil die aandacht helemaal niet. Waarom ik?

De Charlatan, oord van verderf en plezier. Warme zomeravond, kort shortje en een t-shirtje. Ik wacht op de hoek op iemand. Vijf mannen passeren, ze vertragen als ze me zien. Roept de voorste naar de achterste: ‘Hé psst, heb je die al gezien?’ (doelend op mij). Waarop de andere mij voor mijn neus van kop tot teen checkt en zegt: ‘Meh.’ Ik was ziedend. Ik kon niets doen. Vrouw alleen, ’s avonds op straat, tegen vijf mannen. Ik hield me zelf maar vast aan de gedachte dat ze mij niet konden krijgen. In het uitgaansleven moet ik vaak aan vrienden vragen of ze willen doen alsof ze mijn lief zijn, omdat ik anders niet met rust gelaten word. Ik denk dat mijn kont daar vaker is aangeraakt door random mannen dan mijn hoogsteigen lief. Ik ben het beu mij te moeten aanpassen om mij gewoon vooruit te bewegen in deze maatschappij. Mij te amuseren, mij te kleden zoals ik wil. Mijn nee is nee, en als je geen nee verdraagt, verdien je een klets. Een klets op je woorden, op je daden en misschien wel op je gezicht.

Ik kan de tel niet bijhouden, van mannen die roepen, me doodleuk doen verschieten, fluiten, me van kop tot teen uitkleden. En de reactie van iedereen: ‘Aanvaarden maar, want je kan er toch niets aan doen.’ Vergeet het. Hou je metaforische lul voor jezelf mannen, velen zijn niet geïnteresseerd. Mijn gat is van mij, mijn lijf, mijn borsten, mijn lippen, àlles. Geen haar op mijn hoofd dat er aan denkt daar ooit mijn mond over op te houden. Wij. Overdrijven. Niet.

Ik weet niet of ik kom, Herman

Dag Schuer,

Mag ik je Schuer noemen? Ondertussen doet mijn hele generatie dat. Omdat je een stem zou vertegenwoordigen voor een generatie. Een muziekstem. Of je zou dat toch moeten. Zo profileer je jezelf toch graag? Wel beste Schuer, ik heb enkele prangende vragen.

Ten eerste, je verzette het festival een week vroeger. Voor een méga headliner. Zei je zelf. Blijken dat de Foo Fighters te zijn. Een headliner van enkele jaren terug op dat andere bekende festival, Pukkelpop. Nu, Schuer, ik ben daar ontzettend blij mee als rasechte Foo Fightersfan. Maar of het festival daarom een week vervroegd moet worden? Ik had meer verwacht. En velen zijn met mij. Foo Fighters is een week vervroegdheid niet waardig.

Begrijp me niet verkeerd Schuer, ik hou van je festival. Jaar na jaar na jaar sta ik elke keer weer blij op  je wei. Geniet ik van de muziek en de sfeer. Dat mij dat een duit kost, dat wil ik gerust neerleggen. Als ik daarmee mijn helden op ’t podium kan zien. Dan kijk ik daar een jaar, dromend van zon op de wei, naar uit. Maar wat is er gebeurd Schuer? De line ups van de laatste jaren verzwakken. De geldprijzen daarentegen verhogen. Het plezier vermindert. Want dit mag niet en dat mag niet. We worden op de vingers gekeken met een chip om onze arm en of we wel degelijk 2.5 euro neerleggen voor een petieterig flesje cola. Ik snap het, het kost geld. Geld dat jij wel hebt, en wij niet.

Ik heb het jaren graag gedaan, Schuer. Je festival. Duizenden mensen, samengekomen voor één passie: muziek. Rockmuziek. Dat doet de naam toch vermoeden. Wat is er veranderd, Schuer? Waar is de rock naartoe? Ik heb enkele jaren geleden de weide vervroegd verlaten voor de Black Eyed Peas. Headliner. Het kind, Fergie kan met moeite live kraaknet zingen. Moet ik daarnaar luisteren? Heb ik daar 300 ettelijke euro’s voor neergelegd?

De politici zijn niet tevreden, Schuer. We kunnen onze hoge onderwijskosten niet zelf betalen, maar kunnen wél naar jouw festival. Een student als ik werkt aan een jobstudentloontje van 8 à 10 euro per uur en dat is gelimiteerd tot enkele dagen per jaar. De schoolkosten worden vergoed door mijn ouders, wat denk ik in de meeste gevallen zo is. Ik betaal mijn festivalgebeuren zelf. Ik hoef de rekensom niet te maken hoe lang de meesten studenten werken om tot bij jou te geraken. Want dat is toch je doelgroep, Schuer? Wij, studenten en jongeren?

Ik weet niet of ik dit jaar kom, Herman.